De Opinie: Jutta Leerdam en de mythe van de gehoorzametopsporter.
- 10 feb
- 2 minuten om te lezen
Jutta Leerdam is geen gewone schaatsster. Ze is een fenomeen. Een statement. En
vooral: een schoolvoorbeeld van hoe topsport er vandaag zou moeten uitzien.
Als er één sporter is die de afgelopen jaren voor beroering heeft gezorgd bij onze
noorderburen, dan is zij het wel. Niet omdat ze faalde integendeel maar omdat ze
durfde af te wijken van het klassieke keurslijf. Geen ploeg, geen opgelegde structuur, geen
bond die bepaalt hoe, met wie en onder welke voorwaarden zij moet presteren. Jutta koos
haar eigen trainers, haar eigen fysiotherapeut en haar eigen weg. En wat deed ze onder
maximale druk? Ze won de 1000 meter met een olympisch record. Petje af.
Toch zit Jutta voortdurend in het oog van de storm. Ze krijgt bakken kritiek. Onbegrijpelijk
eigenlijk. Want tegelijk klagen we collectief dat topsport niets oplevert, dat atleten
behalve een handvol voetballers en wielrenners amper rondkomen. En dan staat daar
iemand die bewijst dat het wel kan. Met 5,5 miljoen volgers op Instagram bouwde Jutta
haar eigen merk, haar eigen inkomstenmodel en haar eigen vrijheid. Ze heeft niemand
nodig om haar te “redden” in de topsport. En precies dát lijkt voor sommigen moeilijk te
verteren.
In plaats van zulke sporters af te breken, zouden we ze moeten omarmen.
De rol van een sportbond zou dan ook glashelder moeten zijn: ondersteunen, faciliteren,
beschermen. Niet dicteren. Niet opleggen. Niet breken wat werkt. Wie denkt dat dat een
theoretische discussie is, hoeft maar naar België te kijken. Naar Nafi Thiam. Ook zij
presteerde uitstekend binnen haar eigen structuur, tot de bond vond dat er dingen
“moesten veranderen”. Met een gekend, dramatisch gevolg. Topsport is geen
eenheidsworst. Wie dat niet begrijpt, hoort niet aan het stuur te zitten.
Wat Jutta’s verhaal extra bewonderenswaardig maakt, is de mentale component. De druk.
De kritiek. De pech van de afgelopen tijd. En dan tóch zulke scherpe tijden rijden. Dat is
geen toeval. Dat is mentale hardheid.
En precies dat is wat we ook in andere sporten zoals de dressuur broodnodig hebben.
In België is de dressuur te vaak te voorzichtig. Te vrijblijvend. Men ontwijkt elkaar, de
concurrentie is soms te dun en echte drukmomenten zijn schaars. Kampioenschappen die
niet verplicht zijn, selecties die vrijblijvend aanvoelen dat helpt niemand vooruit.
Topsport vraagt confrontatie. Vergelijking. En ja, soms ook falen.
We moeten onze jeugd leren om hard te worden. Om beter te presteren onder druk dan
thuis in de piste. Dat is de kunst. Daar kan een bond het verschil maken: door duidelijke
selectiewedstrijden te organiseren, door iedereen op hetzelfde moment en onder dezelfde
omstandigheden te laten presteren. Gelijke kansen, echte spanning, echte beoordeling.
Niet iedereen haalt de eindmeet. Dat is hard, maar dat is topsport. Dáár ligt het verschil
tussen deelnemen en kampioen worden.
We hebben kleine Jutta’s nodig. Rolmodellen die tonen dat topsport niet alleen haalbaar is,
maar ook leefbaar. Dat je groot mag dromen. Dat succes geen schande is. Dat je zelfs met
een privéjet naar Milaan mag vliegen en dat we daar trots op mogen zijn.
Laat ons stoppen met afbreken. En beginnen met bouwen. Aan sporters die durven kiezen
voor hun eigen weg. Want dat is waar echte topsport begint




